Het is augustus. Spinnenmaand. Ik probeer mijn dochter uit te leggen dat spinnen nuttig zijn. Dat ze de vliegjes vangen. Ze is niet overtuigd.

“Dan kun je toch gewoon een vleesetende plant neerzetten? Die eten toch ook vliegjes?” oppert ze hoopvol.

Ik kies voor de gulden middenweg. Afhankelijk van de grootte van de spin, pak ik hem op en zet ik hem buiten. Want ik ben wel een held op sokken. Als de spinnen te groot zijn, laat ik hem lekker zitten. Of ik pak een zo groot mogelijk vel papier en probeer hem erop te laten lopen. Wat meestal niet lukt. Die beesten zijn onnoemelijk snel. Gelukkig zo snel, dat de spin in kwestie al snel uit het zicht verdwijnt.

“Kijk, hij is al weg!” roep ik dan zo overtuigend mogelijk in de hoop dat dochterlief de spin niet weg zag snellen. Meestal kom ik ermee weg. Wel onder een ietwat wantrouwende blik en een inspectie van de hoek waar de spin ooit zat. Er komt een dag dat ze me niet meer gelooft. Ik hoop dat ze op die dag de spin zelf het raam uit zet.