De berichten zijn nog vaag. Er is een vliegtuig neergestort. Of het een ongeluk is of een aanslag, is op dat moment nog niet bekend. Bij ieder vliegtuigongeluk denk ik onbewust weer terug aan de Bijlmerramp. Mijn vader was op dat moment 255 dagen weg. Ik wist niet waar hij woonde of of hij leefde. Het enige dat ik wist was dat hij een huis wilde zoeken in de Bijlmer. En toen was daar dat vreselijke bericht dat een flat door midden boorde. Ik werd stil, teruggetrokken. De angst overheerste.

Je hoopt dat het niet waar is. Dat je geliefde, vriend, kind, collega of een andere bekende het vliegtuig heeft gemist. Dat je een telefoontje krijgt met een belangrijke mededeling: “Het gaat goed met me. Ik kom zo naar huis.” Die hoop, die hou je, tot het tegendeel is bewezen. Soms tegen beter weten in. De uren gaan traag. Je leeft in een droomwereld. Een nachtmerrie waaruit je zo snel mogelijk wilt ontwaken. Maar het lukt niet. Je bent je niet bewust van wat je doet. Niet echt. Je leeft tussen hoop en vrees.

Mijn vader is weer teruggekomen. Maar ik ken de onzekerheid. Mijn maag draait om bij de gedachte dat veel mensen niet meer terugkeren. Het is zo oneerlijk.