(een zeldzame ziekte, deel 7)

‘De dip valt erg zwaar voor uw vader. Zolang zijn leuko’s nog niet in staat zijn om zijn weerstand goed te bewaken, blijft hij hier. Maar hij is nu niet in de conditie dat hij naar huis kan. Hij heeft het te zwaar. Hij kan nagenoeg niets zelfstandig.’

Ik kan niet anders dan het te beamen. We hebben telefonisch al besproken dat hij naar een verzorgingshuis gaat. Ik kan niet voor hem zorgen. Niet met mijn kleine kindjes in huis en een baan. Hij heeft 24/7 zorg nodig aan bed. Dat kan ik gewoonweg niet geven. En misschien ben ik heel egoïstisch als ik zeg dat ik ook niet teveel van mijn kindjes wil missen. Ze zijn nog zo klein en er gebeurt zoveel in hun leven. Maar zover zijn we nog lang niet. We moeten eerst wachten tot hij uit de dip komt. Als we het gesprek met de arts hebben, dan ligt mijn vader inmiddels al 4 weken in het ziekenhuis. Hij zit nog midden in de dip op het moment dat medepatiënten na de eerst kuur al naar huis mogen.

Het duurt nog een week, voordat hij ontwaakt uit de dip. En nog een week later mag hij naar huis. Nou ja, niet naar huis, en toch niet naar een verpleeghuis, maar naar het ziekenhuis waar hij vandaan komt. Op dit moment voelt dat als een tweede huis. Doordat hij daar de afgelopen 3 jaar minimaal 1x per maand kwam om bloed te krijgen, kent hij veel mensen op de afdeling. Het voelt vertrouwd. Hij zit in een vertrouwde omgeving en vlakbij zijn broer en nichten. En ook dat is een fijn gevoel.

Eigenlijk zou hij naar huis moeten zijn gegaan. Eigenlijk zou hij nu midden in de tweede kuur moeten zitten. Maar dat is niet zo. Het gaat wel beter. Babystapjes. Met vallen en opstaan. Ik grap wel eens tegen hem dat hij gelijk loopt met mijn zoontje van bijna 1. Hij gaat staan, wiebelt een beetje, en valt en gaat weer staan en kijkt heel trots naar me. Zo gaat dat. Met mijn kind en met mijn vader. En als alles goed laat, lopen ze binnenkort allebei vrolijk rond, alsof ze nooit anders gedaan hebben.