Het ontwaken uit de dip gaat gepaard met bijwerkingen. Zijn lichaam heeft vocht nodig, maar het vocht komt niet op de juiste plaatsen. Zijn oog gaat ontsteken, hij krijgt een blaasontsteking. Het één lijkt het ander snel op te volgen. Gelukkig is het een veelzijdig ziekenhuis en komen artsen van alle afdelingen naar de afdeling Hematologie om mijn vader de juiste medicatie te kunnen geven.

En dan komt er ineens goed nieuws. Hij belt me op en vertelt: “Ze zeggen dat ik uit de dip ben”. Hij klinkt alsof hij het zelf niet helemaal gelooft. “De dokters hebben het gezegd”. Uit de dip betekent dat de punten goed zijn, dat het ergste gevaar geweken is. Uit de dip is goed nieuws. En de doktoren hebben verteld dat er snel verbetering optreedt, wanneer de patient eenmaal uit de dip is. Maar met de hoeveelheid bijwerkingen, duurt ook het proces om ‘uit de dip te komen en weer opknappen’ langer dan verwacht. Om naar huis te mogen, moet het aantal leukocyten hoog genoeg zijn. Zijn ze te weinig in aantal, dan is je weerstand te laag, en heb je buiten de afdeling een probleem. Dan heb je zo een infectie te pakken. Na het gesprek met de arts, duurt het nog eens 2 weken, voordat hij daadwerkelijk naar huis mag.

Naar huis, betekent in zijn geval, naar zijn ‘eigen’ ziekenhuis. Het ziekenhuis waarin hij veel mensen kent. Het ziekenhuis waar hij kind aan huis is. Het ziekenhuis waar zijn eigen arts hem in de gaten kan houden. Hij voelt zich daar thuis en eenmaal daar, zie ik hem veel sneller opknappen dan in de VU. Want hoe goed en hoe deskundig de VU ook is, het is geen thuis. Je gaat er ziek in en je komt er ziek uit. Beter worden doe je namelijk in je eigen ziekenhuis, of nog beter, in je eigen huis.