Omdat hij nu in het ziekenhuis van zijn  thuisstad ligt, zijn de intensieve controles wat lastiger. Daarom moet hij af en toe terugkomen op de poli van Hematologie. Hij krijgt nog medicijnen via het infuus en ook het lopen en lang rechtop zitten is moeizaam. Even ophalen met de auto om vervolgens in anderhalf uur naar Amsterdam te tuffen is geen optie. Vervoer per ambulance is de enige optie.

De eerste keer gaat het op de heenweg goed. Hij is op tijd op zijn afspraak en alles lijkt goed te verlopen. Als mijn vader echter na de beenmergpunctie en de nodige bloedafnames terug naar ‘zijn’ ziekenhuis wil, krijgt hij de spreekwoordelijke kous op zijn kop. Er is geen ambulance besteld. Dat had zijn eigen ziekenhuis moeten regelen. En dat was niet gebeurd. Na 2,5 uur (!) wachten op de poli, terwijl hij daar fysiek eigenlijk helemaal niet toe in staat is, sluit de poli. Mijn vader kan daar niet blijven wachten. Uit nood wordt hij daarom maar naar zijn oude afdeling gebracht. In de rolstoel. Vermoeid als hij is, wordt hij ook daar in de wachtruimte geplaatst. Er zijn wel bedden, maar daar mag hij geen gebruik van maken. En dan eindelijk… Na een half uur komt er een ambulance. Het is inmiddels al na de spits, dus hij is laat thuis.

Bij de tweede afspraak gaan we ervan uit dat het personeel geschrokken is van de eerder ontstane situatie en dat het vervoer nu wel goed wordt geregeld. Hij geeft een afspraak om 13.00 uur in het ziekenhuis. Hij heeft een afspraak om rond 10.30 uur te worden opgehaald. Dit om zeker te weten dat mijn vader – ondanks eventuele spoedjes – op tijd op zijn afspraak is.

En dan belt mijn vader. Om 12.00 uur. Boos. ‘De ambulance is er nog steeds niet’. Ook ik vind het vreemd. We hadden het toch goed afgesproken? Liever te vroeg, dan weer te laat met alle ellende van dien. Ik ben inmiddels al bij het ziekenhuis. Een kwartiertje later belt de ambulancebroeder me op. ‘We zijn later, maar dat is normaal’. Ik opper dat het normaal is om op tijd op een afspraak te komen. Dat ik begrijp dat er spoedjes tussendoor komen, en dat wij daar rekening mee hebben gehouden. ‘Ja, mevrouw, we zijn geen trein of taxi’. Ik antwoord geïrriteerd: ‘Hij heeft geen keuze. Als hij met de auto had kunnen komen, had ik hem hoogstpersoonlijk opgehaald’.

De ambulancebroeder ziet gelukkig wel in dat mijn vader niet in staat is om hele einden te lopen. Of ik zelf even een brancard kan regelen bij de EHBO. Ik doe mijn best. Maar het personeel van de EHBO vindt dat het hun taak niet is. Ik word doorverwezen naar de poli. Bij de poli aangekomen komen mijn tranen van boosheid. Met horten en stoten vertel ik het verhaal. Dat het weer mis gaat. En dat hij niet de hele dag in een rolstoel kan zitten. Als er dan een vrouw voorbij loopt en een deel van mijn verhaal hoort, blijkt dat ze hebben vergaderd over onze eerste ervaring met het ambulancevervoer. Dat willen ook zij nooit meer. Nu blijkt er op de poli  bed gereserveerd en het ambulancepersoneel moet mijn vader op hùn brancard naar de poli brengen. Daar mag hij overstappen op een bed. Ik ben wel opgelucht, maar mijn boosheid voert nog de boventoon. Ik prevel ‘bedankt’ en bel de ambulancebroeder om alles goed te regelen.

Terwijl de arts de beenmergpunctie uitvoert, regel ik alles voor de volgende afspraak. De heenweg, het bed èn ruim tijd voor de afspraak. Als ik naar beneden loop om te kijken of mijn vader al klaar is, staat het ambulancepersoneel er al. Ze zijn vriendelijk en tactisch. Ze rijden hem rustig op de brancard de ambulance in en rijden rustig terug naar zijn ‘eigen’ ziekenhuis. En ik? Ik ben iets later thuis, maar kan nog wel even genieten van mijn kindjes. Ik hoop dat het de volgende keer wel goed gaat. Drie keer scheepsrecht?