Op mijn kousenvoetjes loop ik naar de buren. Niet slim, want het heeft geregend. Het is inmiddels donker en ik weet niet waar het licht zit. Op de tast, loop ik naar boven. Gelukkig, een lichtknopje.

Een paar oogjes kijken me verwachtingvol aan. Ik begroet hem, geef een aai over zijn lijfje. Ik ververs het water en doe het eten in zijn bakje. Hongerig als hij lijkt, verwacht ik dat hij direct een aanval doet op zijn eten. Die aanval blijft uit. In plaats daarvan, springt hij snuffelend bij me op schoot. Oh ja, hij krijgt altijd een worteltje van me. Blijkbaar heb ik het herkenningsstadium bereikt. Ik sta op en loop naar de koelkast. Als het een hond was geweest, zou hij nu kwispelen. Mmm, geen wortels. Ik durf hem niets anders te voeren. geen idee wat konijnen verder eten. Verder dan sla en wortels kom ik niet. Ik aai hem nog even. Vertel verontschuldigend dat ik echt geen worteltje voor hem heb vandaag.

Als ik wegloop, hupst hij me achterna.

“Morgen krijg je er twee!” beloof ik plechtig, terwijl ik het licht weer doof en op de tast mijn weg terug naar huis weer vind.